Sneltoetscriteria zijn specifieke objectgerichte welstandscriteria die zijn opgesteld voor kleine veelvoorkomende bouwwerken in reguliere welstandsgebieden. Het doel van deze sneltoetscriteria is vooraf een mate van zekerheid aan de initiatiefnemer te bieden. Als het bouwplan voldoet aan deze sneltoetscriteria, staat daarmee vast dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Er zal in dat geval een positieve welstandsbeoordeling volgen. Deze sneltoetscriteria zijn absoluut en objectief geformuleerd. De wijze van formulering van deze sneltoetscriteria vergroot ook de duidelijkheid vooraf richting de initiatiefnemer en bevordert een snelle, eenvoudige en consequente afhandeling van de aanvraag.

Indien het bouwplan niet voldoet aan de specifieke objectgerichte welstandstandscriteria, wordt het plan vervolgens beoordeeld aan de (relatieve) gebiedscriteria. Er kan mogelijk alsnog een positieve beoordeling ontstaan. Blijft er echter sprake van strijd met redelijke eisen van welstand, dan zal een negatieve beoordeling in beginsel leiden tot een weigering van de aanvraag omgevingsvergunning.

Als er voor een bepaalde categorie bouwwerk géén specifieke criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken in dit hoofdstuk is opgenomen, wordt het plan beoordeeld aan de gebiedscriteria.

Airco's en andere installaties

Deze voorzieningen mogen de samenhang van het hoofdgebouw en/of het straatbeeld niet verstoren.

Airco

Een airco-voorziening aan een voorerfgebied leidt bijna altijd tot een onacceptabele aantasting van het straatbeeld.

Sneltoetscriteria

Airco’s voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand als deze niet zichtbaar zijn vanuit het openbaar gebied. Indien dit aantoonbaar onmogelijk is, moet de installatie binnen het gevelvlak achter een bescheiden en neutraal rooster onzichtbaar worden opgesteld.

Overige installaties

Voorbeelden van overige installaties zijn afvoerkanalen, liftopbouwen en luchtbehandelingskasten. Installaties zijn bijna altijd noodzakelijk om een bouwwerk te kunnen realiseren. Uitgangspunt voor deze ingrepen is dat ze inpandig worden gerealiseerd en als dit aantoonbaar niet mogelijk is, deze ondergeschikt zijn. Het beeld van het gebouw wordt daarbij intact gelaten. Om dit te bereiken is een terughoudende vormgeving het uitgangspunt. Voor het aanbrengen van installaties die het aanzien van het gebouw ingrijpend wijzigen, zijn deze criteria niet geschreven.

Sneltoetscriteria

Overige installaties voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand als deze niet zichtbaar zijn vanuit het openbaar gebied. Als dit aantoonbaar onmogelijk is, moet de installatie binnen het gevelvlak achter een bescheiden en neutraal rooster onzichtbaar worden opgesteld.

Liftopbouwen

Voor liftopbouwen geldt ook:

  • Als zij technisch niet inpandig te realiseren zijn op een dak plaatsen.
  • Zo laag mogelijk houden en zo plaatsen, dat deze niet of nauwelijks zichtbaar zijn vanaf de straat.
  • Uitvoeren in een neutrale kleurstelling waarmee deze tegen de lucht wegvalt of zo uitvoeren dat deze visueel past in de achterliggende gevel.

Afvoerkanalen

Voor afvoerkanalen geldt ook:

  • Het afvoerkanaal is per ensemble, blok of cluster gelijkvormig aan eerder geplaatste afvoerkanalen, mits deze recent een positieve welstandsbeoordeling hebben gehad.
  • Als één geheel vormgeven (recht en zonder bochten).
  • Indien zichtbaar vanaf de weg of het openbaar groen slank vormgeven.
  • Terughoudend uitvoeren en afstemmen op het hoofdgebouw.
  • Materialen en kleuren onopvallend (zoals gegalvaniseerd staal, antraciet of een grijstint. 

Bijbehorende bouwwerken

Met een bijbehorend bouwwerk wordt bedoeld: een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Dit begrip is een verzamelbegrip voor uitbreidingen van het hoofdgebouw, bijvoorbeeld door een aanbouw of een los bijgebouw. Voor carports, overige overkappingen en dakkappelen zijn aparte criteria opgesteld waaraan getoetst moet worden. Voor alle niet genoemde overige bijbehorende bouwwerken gelden onderstaande criteria.

Aanbouw

Een aanbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een gebouw. Voorbeelden zijn een uitbreiding van een keuken, een serre aan een woonkamer of een garage bij eengezinswoningen. Ook kunnen deze bouwwerken als overkapping van een terras of als carport worden uitgevoerd. Aanbouwen kunnen bepalend zijn voor het straatbeeld of het aanzien van een binnenterrein. Uitgangspunt is, dat een aanbouw in volume ondergeschikt is aan en dat de vormgeving is afgestemd op het karakter van het oorspronkelijke hoofdgebouw. Het omgevingsplan (eerder bestemmingsplan) geeft aan óf een aanbouw mogelijk is en onder welke ruimtelijke randvoorwaarden.

Bijgebouw

Een bijgebouw is een vrijstaand bouwwerk van één bouwlaag bijvoorbeeld bij een woning of woongebouw, meestal bedoeld als tuinhuis of schuur. Ook bijgebouwen kunnen bepalend zijn voor het straatbeeld of het aanzien van een binnenterrein. Een bijgebouw is als volume ondergeschikt aan het oorspronkelijke gebouw en de vormgeving is afgestemd op het karakter van het hoofdgebouw of op de inrichting van het erf. Het omgevingsplan geeft aan óf een bijgebouw mogelijk is en onder welke ruimtelijke randvoorwaarden.

Bijbehorende bouwwerken horen te passen bij het hoofdgebouw en in het straatbeeld. Zij dienen een ondergeschikte toevoeging van het hoofdgebouw te zijn.

Sneltoetscriteria

Deze bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand als:

  • Materiaal en detaillering is afgestemd op hoofdgebouw.
  • Dak conform uitvoering hoofdgebouw is of plat is afgedekt.
  • Hoogte boeiboord minder dan 25 cm of geprofileerd met geledingen van maximaal 15 cm is.
  • Aansluiting van de twee muurvlakken (bestaand en nieuw) door een verkenning, sprong of dilatatie is.

Dakkapellen

Een dakkapel is een ondergeschikte uitbouw in een kap, bedoeld om de licht toetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn een ondergeschikte toevoeging aan een hellend dakvlak. Het omgevingsplan ( eerder bestemmingsplan) geeft aan óf een dakkapel mogelijk is en onder welke ruimtelijke randvoorwaarden. Dakkapellen kunnen zeer bepalend zijn voor het straatbeeld. Een dakkapel aan een voorerfgebied vraagt om een zorgvuldige vormgeving, die past bij het karakter van het hoofdgebouw en in de omgeving. Het plaatsen van een dakkapel mag niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm.

Dakkapellen horen dus te passen bij het gebouw en in het straatbeeld. Zij moeten een ondergeschikte toevoeging aan het dak zijn en mogen geen storende ingreep zijn. Plaatsing aan een achtererfgebied (achterkant) heeft de voorkeur.

Sneltoetscriteria

Een dakkapel gebouwd op het voordak of een zijdakvlak voldoet in elk geval aan redelijke eisen van welstand als:

  • In het geval dat er op hetzelfde dakvlak al dakkapellen staan, de plaatsing en hoogte gelijk ten opzichte van de andere dakkapellen is.
  • De onderzijde minstens 50 cm uit de goot staat.
  • Hoogte gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet meer dan 150 cm is.
  • Breedte maximaal de helft van de breedte van het betreffende dakvlak van de woning is.
  • Afstanden: tot de bouwmuur minstens 50 cm, tot de eindgevel minstens 100 cm, tot de nok minstens 50 cm, tot elke hoekkeper en kilgoot minstens 50 cm en tot een andere dakkapel op hetzelfde pand minstens 100 cm zijn.
  • Hoogte boeiboord minder dan 25 cm of geprofileerd met geledingen van maximaal 15 cm is.
  • Zijwanden: zink, ondoorzichtig glas, of plaatmateriaal in de kleur donkergrijs of in de kleur van de dakpannen zijn.
  • Plat afgedekt is.
  • Materiaal en kleur van kozijnen en dakrand afgestemd op materiaal en kleur van kozijnen en dakrandafwerking van het bestaand pand is.
  • Bij daken steiler dan 45° mag de dakkapel aangekapt zijn: de dakhelling van de kapel kleiner dan 30º en aansluiting op het hoofddak minder dan 100 cm onder de nok.
  • Bij mansardekappen mag de dakkapel aangekapt zijn in de knik en de hoogte niet meer dan 100 cm zijn.

Carports en overige overkappingen

Carports en overkappingen horen te passen bij het hoofdgebouw en in het straatbeeld. Zij moeten een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw zijn.

Sneltoetscriteria

Een carport of overkapping voldoet in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien:

  • Voorzien van een plat dak.
  • Kolommen slank zijn (maximaal 15 x 15 cm) en in een donkere kleur.
  • Hoogte boeiboord minder dan 25 cm of geprofileerd met geledingen van maximaal 15 cm.
  • Boeiboord in dezelfde kleur als de kozijnen van de woning of de kolommen van de carport.

Erf- en perceelafscheidingen

Een erf- of perceelafscheiding is een bouwwerk om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Een erfafscheiding tussen twee privaatrechtelijke percelen, is in veel gevallen (omgevings)vergunningsvrij. Erfafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op het straatbeeld en vrijwel altijd vergunningplichtig. Het omgevingsplan (eerder bestemmingsplan) geeft aan óf een erf- of perceelafscheiding mogelijk is en onder welke ruimtelijke randvoorwaarden.

Een erf- of perceelafscheiding hoort te passen bij het hoofdgebouw en in het straatbeeld.

Sneltoetscriteria

Deze bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand indien:

  • In metselwerk (steen- en kleurkeuze als hoofdgebouw), of als te begroeien transparant metalen (gaas)hekwerk, eventueel tussen gemetselde pilasters en/of op gemetseld basement van minder dan 60 cm hoog, in kleur zwart, donkerbruin of donkergroen.
  • In houten delen in een neutrale kleur, eventueel tussen gemetselde pilasters en/of op gemetseld basement van minder dan 60 cm hoog.

Kozijn- en gevelwijzingen

Van een kozijnwijziging is sprake bij het veranderen van een kozijn, kozijninvulling, rolluik, poort afsluiting, garagedeur of een gevelpaneel. Gevelwijzigingen zijn veranderingen zoals het verplaatsen van gevelopeningen en het aanvullen of herstellen van metselwerk. Ook aanpassingen aan kappen, goten of ornamenten en vergelijkbare ingrepen in het aanzicht van gebouwen, zijn voorbeelden van gevelwijzigingen.

Kozijnen en gevelindelingen zijn belangrijk voor het aanzicht van het gebouw en het straatbeeld. De wijziging van een kozijn of een gevel moeten passen bij het karakter van het hoofdgebouw en de omgeving en mogen de samenhang van het hoofdgebouw en/of straatwand niet verstoren.

Sneltoetscriteria

Een gevelopening, al dan niet in combinatie met een toevoeging en/of verandering van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel, zichtbaar vanaf het openbaar gebied, voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand, als:

  • Het materiaal- en kleurgebruik wordt afgestemd op het hoofdgebouw en/of aanwezige kozijnen.

Schoorstenen en afvoeren

Sneltoetscriteria

Schoorstenen en afvoeren voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand als:

  • Gemetselde schoorstenen in kleur hoofdgebouw zijn.
  • Bescheiden verzamelkappen in grijs, antraciet of in de kleur van de pannen zijn.
  • Losse afvoeren zo onopvallend mogelijk en zoveel mogelijk uit het zicht staan.

Beoordeling

In veel gevallen zijn kleine bouwplannen (omgevings)vergunningsvrij. Ze kunnen zonder preventieve beoordeling door de gemeente Venlo worden gerealiseerd.

Bij bouwplannen die vergunningplichtig zijn, vormt het omgevingsplan (eerder bestemmingsplan) het toetsingskader voor de bouwaanvraag. Voor bijbehorende bouwwerken zoals bijgebouwen en aanbouwen, maar ook voor andere bouwplannen zoals erfafscheidingen, is in het omgevingsplan te lezen óf deze gebouwd mogen worden en zo ja waar deze mogen worden geplaatst en wat de afmetingen maximaal mogen zijn. De welstandscriteria worden gebruikt om het uiterlijk van het bouwwerk te beoordelen binnen de begrenzing van de ruimtelijke ordening zoals vastgelegd in het omgevingsplan of beeldkwaliteitsplan. De criteria geven uitsluitsel onder welke voorwaarden een klein plan wat betreft welstand voor een vergunning in aanmerking komt.

Voor- en achtererfgebied

De verruiming van (omgevings)vergunningsvrije bouwwerken met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht per 1 oktober 2010, heeft met zich meegebracht dat er op het achtererfgebied ruimere mogelijkheden bestaan om vergunningsvrij een bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw op te richten. Welke categorieën bouwwerken omgevingsvergunningvrij zijn geworden in het achtererfgebied, is limitatief beschreven in het Besluit omgevingsrecht (artikel 2 van bijlage II). Deze verruiming heeft ook invloed op het welstandsbeleid; immers op deze categorie omgevingsvergunningsvrije bouwwerken is geen preventief welstandstoezicht meer mogelijk. Het welstandsbeleid richt zich op bouwwerken zichtbaar vanaf het openbaar toegankelijk gebied; de voorkant heeft een grotere invloed op de ruimtelijke kwaliteit en daarmee ook op welstandsaspecten. Het begrip achtererfgebied is noodzakelijk voor de goede ruimtelijke kwaliteit van de bebouwde omgeving. Daarom wordt in de welstandscriteria waar nodig, onderscheid gemaakt in een achtererfgebied en een voorerfgebied.

Per 1 november 2014 is het Besluit omgevingsrecht gewijzigd, waaronder het begrip “achtererfgebied.” De vorige begripsomschrijving riep in de praktijk vragen op bij situaties op hoekpercelen en percelen waarop hoofdgebouwen ten opzichte van het openbaar toegankelijk gebied schuin zijn geprojecteerd. Met de ervaring die inmiddels in de praktijk zijn opgedaan, is onderstaande nieuwe begripsomschrijving geformuleerd. Met de nieuwe begripsomschrijving wordt helderheid geboden bij schuin geprojecteerde hoofdgebouwen of bij schuin lopende erfgrenzen en bochtige wegen.

Achtererfgebied

Erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. Het nieuwe begrip gaat er van uit dat het achtererfgebied 1 meter achter de voorgevel ligt en evenwijdig loopt met het openbaar toegankelijk gebied. Bij een kavel welke in de bocht van de weg ligt, zal de evenwijdige lijn de bocht van de weg volgen.

Voorerfgebied

Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied.