Dakkapellen

Een dakkapel is een ondergeschikte uitbouw in een kap, bedoeld om de licht toetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn een ondergeschikte toevoeging aan een hellend dakvlak. Het omgevingsplan ( eerder bestemmingsplan) geeft aan óf een dakkapel mogelijk is en onder welke ruimtelijke randvoorwaarden. Dakkapellen kunnen zeer bepalend zijn voor het straatbeeld. Een dakkapel aan een voorerfgebied vraagt om een zorgvuldige vormgeving, die past bij het karakter van het hoofdgebouw en in de omgeving. Het plaatsen van een dakkapel mag niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm.

Dakkapellen horen dus te passen bij het gebouw en in het straatbeeld. Zij moeten een ondergeschikte toevoeging aan het dak zijn en mogen geen storende ingreep zijn. Plaatsing aan een achtererfgebied (achterkant) heeft de voorkeur.

Sneltoetscriteria

Een dakkapel gebouwd op het voordak of een zijdakvlak voldoet in elk geval aan redelijke eisen van welstand als:

  • In het geval dat er op hetzelfde dakvlak al dakkapellen staan, de plaatsing en hoogte gelijk ten opzichte van de andere dakkapellen is.
  • De onderzijde minstens 50 cm uit de goot staat.
  • Hoogte gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet meer dan 150 cm is.
  • Breedte maximaal de helft van de breedte van het betreffende dakvlak van de woning is.
  • Afstanden: tot de bouwmuur minstens 50 cm, tot de eindgevel minstens 100 cm, tot de nok minstens 50 cm, tot elke hoekkeper en kilgoot minstens 50 cm en tot een andere dakkapel op hetzelfde pand minstens 100 cm zijn.
  • Hoogte boeiboord minder dan 25 cm of geprofileerd met geledingen van maximaal 15 cm is.
  • Zijwanden: zink, ondoorzichtig glas, of plaatmateriaal in de kleur donkergrijs of in de kleur van de dakpannen zijn.
  • Plat afgedekt is.
  • Materiaal en kleur van kozijnen en dakrand afgestemd op materiaal en kleur van kozijnen en dakrandafwerking van het bestaand pand is.
  • Bij daken steiler dan 45° mag de dakkapel aangekapt zijn: de dakhelling van de kapel kleiner dan 30º en aansluiting op het hoofddak minder dan 100 cm onder de nok.
  • Bij mansardekappen mag de dakkapel aangekapt zijn in de knik en de hoogte niet meer dan 100 cm zijn.