Principeverzoek omgevingsvergunning

U kunt uw aanvraag voor een omgevingsvergunning vooraf laten toetsen door het indienen van een principeverzoek. Het principeverzoek is vooral bedoeld voor complexe, grote of gevoelige (bouw)plannen ook voor het splitsen van een woning of perceel, kamerverhuur of de bouw van een woning.

Wat u moet weten

  • De gemeente beoordeelt op hoofdlijnen of uw plan kans van slagen heeft.
  • Bij een principeverzoek wordt onder andere gekeken of het plan voldoet aan de eisen voor welstand en past binnen het bestemmingsplan.
  • Voor een principeverzoek hoeft u meestal geen onderzoeksrapporten aan te leveren voor bijvoorbeeld bodem, geluid, flora en fauna, archeologie of water.
  • Voor het indienen van een principeverzoek mag u advies vragen aan bijvoorbeeld de aannemer, architect of een adviesbureau.
  • Een positieve uitslag van het principeverzoek is geen garantie voor het krijgen van een omgevingsvergunning.
  • Als u een omgevingsvergunning aanvraagt, wordt het hele plan opnieuw getoetst op basis van de volledige informatie en kan de beoordeling door de gemeente afwijken van de uitkomst van het principeverzoek.
  • Bij een negatieve uitkomst van het principeverzoek bespreken we met u de punten waar u aandacht aan kunt besteden om het plan toch te laten voldoen aan de basisvoorwaarden voor een omgevingsvergunning.
  • U kunt geen bezwaar indienen tegen de uitkomst van het principeverzoek. Als u voor de ongewijzigde plannen toch een omgevingsvergunning aanvraagt, verleent de gemeente geen vergunning. U kunt dan wel bezwaar maken tegen het weigeren van de omgevingsvergunning. U betaalt dan wel leges voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.
  • Na uw aanvraag ontvangt u binnen een week een schriftelijke ontvangstbevestiging met daarin uw casemanager en contactgegevens.

Kosten

De kosten voor het in behandeling nemen van een principeverzoek bedragen € 500 (vanaf 1-1-2022). 

Uitgebreide informatie over kosten vindt u in de legesverordening 2022 (bekijk de bijlage met tarieventabel, zie hoofdstuk 2.2).